Populaire sprookjes
Ali baba en de 40 rovers
Alladin en de wonderlamp
Assepoester
Blauwbaard
De geest in de fles
De gelaarsde kat
De nieuwe kleren van de keizer
De prinses op de erwt
De wolf en de zeven geitjes
Doornroosje
Duimelijntje
Het is echt waar
Het lelijke jonge eendje
Het meisje met de zwavelstokjes
Japie en de bonestaak
Kleinduimpje
Repelsteeltje
Roodkapje
Sesam, open u
Sneeuwwitje
Tafeltje dekje
Vrouw Holle

Sprookjes plaatjes
Alice in wonderland plaatjes
Ariel plaatjes
Assepoester plaatjes
Belle en het beest plaatjes
Doornroosje plaatjes
Pinokkio plaatjes
Sneeuwwitje plaatjes

Meer leuke plaatjes
Baby plaatjes
Beren plaatjes
Betty boop plaatjes
Bloemen plaatjes
Diddl plaatjes
Disney plaatjes
Dieren plaatjes
Dolfijnen plaatjes
Dollz plaatjes
Donald duck plaatjes
Engeltjes plaatjes
Fantasie plaatjes
Felicitatie plaatjes
Fijne dag plaatjes
Fijn weekend plaatjes
Geboorte plaatjes
Gedichten plaatjes
Glitter plaatjes
Halloween plaatjes
Hartjes plaatjes
Kerst plaatjes
Kinderen plaatjes
Krabbel plaatjes
Leuke plaatjes
Liefde plaatjes
Me to you plaatjes
Romantische plaatjes
Sexy plaatjes
Sinterklaas plaatjes
Verjaardag plaatjes
Vrouwen plaatjes

sprookjes kinderfeestjes & sprookjes feestartikelen
1001 kinderfeestjes
Feestartikelen
Home

In tijden dat trouw nog vanzelfsprekend was leefde er eens een man met een ezel. Jarenlang had het dier de zakken onverdroten naar de molen gedragen, maar zijn krachten verminderden en hij werd ongeschikt voor ‘t zware werk. Toen bedacht zijn meester hoe ‘t hem minder duur in de kost zou worden, maar de ezel merkte dat de wind uit de verkeerde hoek woei, hij liep weg en ging naar Bremen; daar dacht hij, kon hij wel stadsmuzikant worden.

Toen hij een poosje gelopen had, vond hij een jachthond, liggende op de weg, hijgend als één die zich moe heeft gelopen. "Nu, wat hap jij naar lucht, Pakaan?" vroeg de ezel. "Ach," zei de hond, "nu ik oud ben en elke dag minder word, en ik ook op de jacht niet veel meer waard ben, heeft mijn meester me willen doodslaan; toen ben ik weggelopen, maar waar moet ik nu de kost mee verdienen?" "Weet je wat," zei de ezel, "ik ga naar Bremen om daar stadsmuzikant te worden, ga mee en kom ook bij de muziek. Ik speel de luit en jij slaat de pauken." Dat vond de hond best, en zo gingen ze verder.

Het duurde niet lang of daar zat een kat op de weg, met een gezicht als drie dagen slecht weer. "Nu, wat zit jou dwars, arme snorrenbaard?" sprak de ezel. "Wie kan nu schik hebben, als ‘t om je hals gaat," antwoordde de kat, "omdat ik nu op jaren kom en mijn tanden stomp worden en ik liever bij de kachel zit te spinnen, dan rond te jagen naar muizen, heeft de vrouw me willen verdrinken. Nu ben ik weggelopen, maar goede raad is duur: waar moet ik heen?" "Ga jij met ons mee naar Bremen, je bent toch een goeie nachtmuzikant, daar kan je stadsmuzikant worden." Dat vond de kat best en ze liep mee.

Daar kwamen de drie weggelopen zondaars langs een hoeve en op de poort zat de huishaan en schreeuwde uit alle macht. "Je kraait dat ‘t iemand door merg en been gaat," sprak de ezel, "wat scheelt er aan?" "Ik had goed weer voorspeld," zei de haan, "omdat ‘t vandaag Onze Lieve Vrouwendag is, toen ze ‘t Kerstkindje z’n hemdje gewassen heeft en ‘t drogen wou; maar nu morgen, met de zondag, gasten komen, heeft de vrouw toch geen medelijden met me en ze wil me morgen in de soep stoppen en vanavond moet ik m’n kop laten afsnijden. Nu kraai ik maar zolang en zo hard als ik kan." "Och kom, domme Roodkop," zei de ezel, "trek liever met ons mee, wij gaan naar Bremen, iets beters dan de dood kun je overal vinden; je hebt een prachtstem en als we samen muziek gaan maken, dan zal dat prachtig klinken." De haan ging op het voorstel in, en zo togen ze alle vier samen op reis.

Maar in één dag konden ze niet naar Bremen komen, ‘s Avonds bereikten ze een bos, waar ze wilden overnachten. De ezel en de hond gingen liggen aan de voet van een grote boom, de kat ging in de takken, maar de haan vloog in de top, want dat vond hij het veiligst. Vóór hij insliep, keek hij nog éénmaal alle vier de windstreken na, en toen meende hij dat hij heel in de verte een lichtje zag branden. Hij riep zijn kameraden toe, dat er niet ver vandaar een huisje moest zijn, want hij zag licht. De ezel sprak: "Dan moeten we daar nog maar heengaan, want dit is geen beste herberg." De hond zei: "en stuk vlees en wat been zou mij ook goeddoen." Dus togen ze alle vier in de richting waar het licht vandaan kwam, en het werd helderder, en groter, en eindelijk stonden ze voor een groot rovershuis. De ezel, de grootste, ging naar ‘t raam en keek naar binnen. "Wat zie je, Grauwtje?" vroeg de haan. "Wat ik zie?" zei de ezel, "een gedekte tafel zie ik met heerlijk eten en drinken, en er zitten rovers aan en ze smullen." "Dat zou wat voor ons zijn," zei de haan. "Ja ja, waren we er maar," zei de ezel.

Toen beraadslaagden de dieren, hoe ze het zouden aanleggen om de rovers weg te jagen. Eindelijk vonden ze een middel. De ezel zou met de voorpoten op de vensterbank gaan staan, de hond op de rug van de ezel, de kat bovenop de hond en de haan op de kop van de kat. Zo gezegd zo gedaan. Toen ze zo opgesteld waren, gaf de ezel ‘t teken en ze begonnen: de ezel balkte, de hond blafte, de kat miauwde en de haan kraaide; toen stortten ze zich door het venster in de kamer, zodat de ruiten kletterden. De rovers vlogen bij ‘t ontzettend geschreeuw overeind, ze dachten niet anders of er kwam een spook naar binnen, en ze vluchtten in grote angst het bos in. Nu gingen de vier reizigers aan tafel, namen de rest van de maaltijd voor lief, en aten alsof ze in geen vier wekeneten zouden krijgen.

Toen de vier muzikanten klaar waren, deden ze de lichten uit en zochten ieder een geschikte slaapplaats. De ezel ging op de mest liggen, de hond achter de deur, de kat in de haard op de warme as, en de haan op de hanenbalken; ze waren heel moe van hun lange tocht en sliepen dadelijk in.




© sprookjesdromen.nl - de bremer stadsmuzikanten